Rb. 's-Gravenhage 15 mei 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AX1923

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen weigering visum voor kort verblijf. Verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te gelasten “dat verweerder de noodzakelijke maatregelen treft, die het mogelijk maken, dat verzoeker in de periode 30 mei 2006 / 7 juni 2006 naar Nederland reist en daar gedurende een week kan verblijven” teneinde de behandeling (in hoger beroep) van een strafzaak, waarin hij verdachte is, te kunnen bijwonen. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld, dat een dergelijke voorlopige voorziening het bestek van de voorlopige voorzieningprocedure te buiten gaat nu deze procedure ziet op (het al dan niet treffen van) een voorlopige maatregel; de thans gevraagde voorziening is daarentegen onomkeerbaar en zou, bij toewijzing ervan, verdere afhandeling van de hoofdzaak zinloos maken. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat verweerders standpunt in haar algemeenheid juist is. Dit neemt evenwel niet weg dat in zeer klemmende situaties een uitzondering op deze regel mogelijk is. Nu een verdachte een groot belang heeft om bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig te zijn, met name bij de behandeling in hoger beroep waar fouten die in de eerste aanleg zijn gemaakt, kunnen worden hersteld, doet zich in het onderhavige geval een dergelijke uitzondering op de regel voor. Toewijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen