Rb. 's-Gravenhage 31 januari 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AW4872
Intrekking verblijfsvergunning bij partner met terugwerkende kracht / procesbelang / verblijfsgat / rechtszekerheid / wijziging beperking in arbeid in loondienst / aantekening ‘arbeid vrij toegestaan‘ / prioriteitgenietend aanbod toets. Bij besluit van 26 november 2003 heeft verweerder de met ingang van 6 september 2000 verleende verblijfsvergunning “verblijf bij partner” per 30 januari 2003 ingetrokken en de aanvraag tot wijziging van de beperking in “(voortgezet verblijf voor) het verrichten van arbeid in loondienst” afgewezen. De rechtbank oordeelt dat eiseres procesbelang heeft met betrekking tot de intrekking met terugwerkende kracht van de vergunning. De rechtmatigheid van het besluit met betrekking tot de afwijzing wijziging beperking staat nog niet in rechte vast en er zou een verblijfsgat kunnen ontstaan, indien dat onderdeel van het besluit geen stand zou kunnen houden. Voorts oordeelt de rechtbank dat de Vw 2000 geen grondslag biedt om aan te nemen dat de intrekking niet met terugwerkende kracht kan. In het algemene bestuursrecht is een intrekking van een begunstigende beschikking met terugwerkende kracht mogelijk. Verwezen wordt naar vaste jurisprudentie van de CRvB met betrekking tot uitkeringen (o.m. LJN: AR2729 en LJN: ZB8991). De enkele omstandigheid dat sommige - voor de vreemdeling positieve - rechtsgevolgen van een beschikking wellicht na de intrekking daarvan niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden (zoals genoten opvang), maakt nog niet dat de Vw 2000 zich verzet tegen een intrekking met terugwerkende kracht, aldus de rechtbank. Al zou het de vaste uitvoeringspraktijk zijn om niet met terugwerkende kracht in te trekken, vloeit hieruit niet zonder meer voort dat dit reeds daarom niet zou kunnen. De afweging die volgens vaste CRvB-jurisprudentie moet worden gemaakt, is of het rechtszekerheidsbeginsel zich daartegen verzet. Daar is hier geen sprake van. Eiseres wist ten tijde van de indiening op 30 januari 2003 van haar aanvraag om wijziging van de beperking dat zij niet langer voldeed aan de beperking. Dit was immers de reden waarom zij de aanvraag heeft ingediend. Ten aanzien van de afwijzing wijziging beperking wordt overwogen dat het recht op verblijf niet uitsluitend kan worden gebaseerd op de aantekening dat arbeid vrij is toegestaan. Eiseres beoogt voortgezet verblijf onder de beperking “het verrichten van arbeid in loondienst”. Dat zij vrijgesteld is van het vereiste van een twv betekent niet dat de prioriteitgenietend aanbod toets niet zou mogen worden verricht in het kader van de vraag of haar voortgezet verblijf dient te worden toegestaan op grond van de Vw 2000. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl