Rb. 's-Gravenhage 10 februari 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AV1961

Mvv / middelenvereiste / inherente afwijkingsbevoegdheid. Ter beoordeling staat de vraag of verweerder gebruik had dienen te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid neergelegd in artikel 4:84 Awb. In het voorliggende geval vloeit het middelenvereiste rechtstreeks voort uit artikel 16, eerste lid en onder c, Vw 2000. In artikel 3.29, tweede en derde lid, Vb 2000 zijn bepalingen opgenomen die het middelenvereiste nader invullen voor de aanvraag bedoeld in dat artikel. Die bepalingen betreffen de duurzaamheid en de vereiste hoogte van de middelen bij die aanvraag. Niet het vereiste zelf. Als niet voldaan wordt aan de hoogte van de middelen zoals omschreven in het derde lid van artikel 3.29 Vb 2000, heeft verweerder ingevolge artikel 16 Vw 2000 de bevoegdheid en niet, zoals verweerder stelt, de wettelijke verplichting de aanvraag af te wijzen. In hoofdstuk B13/3 Vc 2000 heeft verweerder neergelegd dat hij van zijn discretionaire bevoegdheid geen gebruik zal maken indien de bestaansmiddelen van eiseres noch van de garantsteller voldoende zijn. De aanvraag wordt dan afgewezen, aldus het beleid. Die invulling van voormelde bevoegdheid betreft een beleidsregel, waarvan verweerder op grond van artikel 4:84 Awb kan afwijken. Nu verweerder, hoewel eiseres daar in bezwaar nadrukkelijk om verzocht heeft, in het bestreden besluit niet getoetst heeft of de aangevoerde omstandigheden hem aanleiding geven gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, komt het bestreden besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen