Rb. 's-Gravenhage 16 december 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU9601

Grensdetentie / horen / onderzoek / belangenafweging. De gemachtigde van eiser heeft namens eiser telefonisch toestemming verleend om een nadere zitting achterwege te laten. Verweerder heeft deze toestemming geweigerd. Desalniettemin heeft de rechtbank het onderzoek in strijd met artikel 8:64, vijfde lid, Awb gesloten en zij overweegt daartoe als volgt. Verweerder kan geen belang worden toegekend bij het nader separaat, dat wil zeggen buiten aanwezigheid van verweerder en de gemachtigde van eiser, horen van eiser. Het in artikel 8:64, vijfde lid, Awb uitgewerkte beginsel van hoor en wederhoor wordt ten aanzien van verweerder dan ook niet geschonden. Onder deze omstandigheid dient het belang van eiser bij het zo snel mogelijk opheffen van de maatregel te prevaleren. De financiële compensatie die eiser zal verkrijgen voor de dagen die hij als gevolg van het op een later tijdstip horen van eiser naar het oordeel van de rechtbank onnodig vastzit kan, nu thans reeds tot de onrechtmatigheid kan worden geoordeeld, niet leiden tot het oordeel dat het belang van eiser hiermee voldoende is gecompenseerd. Blijkens de toelichting ter zitting hanteert verweerder als criterium voor het plaatsen in een gesloten OC dat het feitelijk onderzoek niet langer mag duren dan grofweg zes weken. De rechtbank is hierbij evenwel van oordeel dat bij plaatsing in de gesloten OC wel voorzienbaar moet zijn dat een dergelijk feitelijk onderzoek kortdurend zal zijn, waarbij het aan verweerder is om in die gevallen waarbij de (korte) duur van het onderzoek niet reeds op voorhand buiten redelijke twijfel staat, een nadere motivering te verschaffen over de aard en omvang van het onderzoek. Doet verweerder dit niet, dan is bij betwisting niet toetsbaar of voornoemd beleid op het individuele geval van toepassing is. Ook in dit geval lag het op de weg van verweerder om te motiveren dat het onderzoek naar de identiteit en asielmotieven van eiser kortdurend zou zijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de tijdsduur van het door of namens verweerder te verrichten onderzoek naar de Ogboni-gemeenschap ongewis is en niet buiten redelijk twijfel staat of dit binnen zes weken na plaatsing in een gesloten OC kan geschieden. Verweerder heeft over de precieze invulling van het onderzoek geen informatie kunnen verschaffen. Nu verweerder niet (kenbaar) heeft gemotiveerd op grond waarvan hij er vanuit gaat dat het onderzoek naar de Ogoboni-gemeenschap en naar de documenten van eiser binnen de termijn van (grofweg) zes weken kan worden afgerond is de rechtbank van oordeel dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel in een gesloten OC bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en beveelt de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen