Rb. 's-Gravenhage 23 augustus 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU9577

Buitenbehandeling / bezwaartermijn / verhuizing. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaar niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen. Eiser heeft betoogd dat het primaire besluit niet rechtsgeldig bekend is gemaakt en dat de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift derhalve nimmer is aangevangen. De rechtbank stelt vast dat artikel 3.104, vierde lid, Vb 2000 betrekking heeft op de (gehele of gedeeltelijke) afwijzing van een aanvraag. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om een afwijzing van de aanvraag, maar om buitenbehandelingstelling van de aanvraag. De door verweerder ter zitting naar voren gebrachte extensieve interpretatie, inhoudende dat ‘beschikking waarbij de aanvraag geheel of gedeeltelijk is afgewezen’ dient te worden gelezen als ‘negatieve beschikking’, waaronder ook de beschikking waarbij de aanvraag buiten behandeling is gesteld valt, volgt de rechtbank niet. Redengevend daarvoor is dat de buiten behandelingstelling een andere juridische figuur is dan de afwijzing. Voorts bieden de Nota van Toelichting bij voornoemd artikel noch jurisprudentie aanknopingspunten voor de ruime interpretatie als door verweerder voorgestaan. Dit in aanmerking genomen heeft verweerder ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 3.104, vierde lid, Vb 2000. Dit betekent dat ter beoordeling voorligt de vraag of het zenden van het primaire besluit naar het laatst bekende adres van eiser al dan niet als rechtsgeldige bekendmaking in de zin van artikel 3:41, tweede lid, Awb kan worden aangemerkt. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen