Rb. 's-Gravenhage 15 november 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU9562

Mvv-vereiste / artikel 27 IVBPR. De rechtbank overweegt dat, nog los van de vraag of ervan moet worden uitgegaan dat artikel 27 IVBPR een bepaling is als bedoeld in de artikelen 93 en 94 Grondwet, uit dit artikel niet voortvloeit dat eiser aanspraak kan maken op vrijstelling van het mvv-vereiste met voorbijgaan aan de ingevolge het toelatingsbeleid geldende eisen. De rechtbank overweegt daartoe dat de verplichtingen die staten worden opgelegd ingevolge artikel 27 IVBPR, op geen enkele wijze verband houden met het wettelijke mvv-vereiste. Bovendien zal eiser, als gevolg van de verplichting over een mvv te beschikken, niet in een situatie worden gebracht die in strijd is met artikel 27 IVBPR. Eiser is er, ook na daartoe strekkende vragen van de rechtbank, niet in geslaagd gemotiveerd te onderbouwen op grond waarvan tot het tegendeel dient te worden geconcludeerd. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder in de door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden aanleiding had moeten zien deze tevens aan te merken als een beroep op de hardheidsclausule. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat nu eiser in bezwaar en in beroep uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen om de aangevoerde feiten en omstandigheden te presenteren in het kader van het beroep op artikel 27 IVBPR, zij geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan het gestelde in het tweede lid van artikel 8:69 Awb. De rechtbank betrekt daarbij dat de aangevoerde feiten en omstandigheden dermate sprekend kunnen zijn dat er geen twijfel over mogelijk is hoe deze in rechte dienen te worden vertaald. Hetgeen door eiser is gesteld is evenwel niet van dien aard dat die verplichting thans aan de orde is. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen