Rb. 's-Gravenhage 9 augustus 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU7459
Vrijheidsbeperkende maatregel / zicht op uitzetting / Irak. De rechtbank overweegt dat verweerder bevoegd is de maatregel ex artikel 56 Vw 2000, in combinatie met de meldplicht ex artikel 54 Vw 2000, op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bovendien gehandeld conform het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk A5/4.3 Vc 2000. De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist. Aangezien eiser niet heeft bestreden dat hij tijdens de vertrekgesprekken in het kader van fase 1 te kennen heeft gegeven Nederland niet te willen verlaten, is er thans geen sprake van de situatie op grond waarvan verweerder, conform zijn beleid, neergelegd in hoofdstuk A5/4.3.4 Vc 2000, de maatregel dient op te heffen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd omtrent de positie van zijn vader in Nederland leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe is redengevend dat niet is gebleken dat eisers vader thans is verwikkeld in een verblijfsrechtelijke procedure. Evenmin is gebleken dat eiser zelf een procedure is gestart ter verkrijging van verblijf bij zijn vader. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen eiser hieromtrent heeft aangevoerd niet relevant voor de beoordeling van het onderhavige beroep. Eiser heeft aangevoerd dat hij in het AZC waar hij woonde wenste te blijven en dat hij tegen zijn zin is overgeplaatst naar het VC Vught. De rechtbank overweegt dat verweerder in het kader van artikel 56, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 juncto artikel 5.1, aanhef en onder a, Vb 2000, bevoegd is tot overplaatsing van eiser naar een door verweerder bepaald gedeelte van Nederland. Voor zover eiser aanvoert dat hij gedwongen is overgebracht naar het VC Vught overweegt de rechtbank dat eiser tegen deze feitelijke handeling op grond van artikel 72, derde lid, Vw 2000 separate rechtsmiddelen kan aanwenden. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de uitspraak AWB 05/16007 van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 juni 2005, overweegt de rechtbank dat deze laatste zaak ziet op een situatie waarbij verweerder een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 57 Vw 2000 heeft toegepast. Gelet hierop is van vergelijkbare gevallen geen sprake, zodat het beroep dient te falen. Overigens overweegt de rechtbank hierbij dat de maximale duur van acht weken, waartoe een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 57 Vw 2000 op grond van het derde lid van dit artikel is beperkt, in het onderhavige geval, waarbij de maatregel is gebaseerd op artikel 56 Vw 2000, niet van toepassing is.
De uitspraak op rechtspraak.nl