Rb. 's-Gravenhage 26 september 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU5621

14-1-brief / belanghebbende / wel of geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, tweede lid, Awb. Eiseres heeft in de gronden van beroep verwezen naar de Afdelingsuitspraak 200404931/1 van 19 november 2004 en zich op het standpunt gesteld dat de brief die een medewerker van VluchtelingenWerk op 3 februari 2003 namens haar heeft geschreven naar aard en strekking zozeer vergelijkbaar is met de brief waarover in genoemde uitspraak van de Afdeling werd geoordeeld, dat ook deze brief moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb. De rechtbank heeft overwogen dat met de brief van 3 februari 2003 klaarblijkelijk is bedoeld namens eiseres een aanvraag in te dienen strekkende tot heroverweging van het onherroepelijk geworden besluit haar geen verblijfsvergunning asiel te verstrekken. De rechtbank leidt dit af uit de in de brief gebruikte bewoordingen. Inhoud en strekking van de brief van 3 februari 2003 zijn niet wezenlijk anders dan die van de brief waarop de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2004 betrekking had. Verweerders stelling dat de artikelen 23 en 36 Vw 2000 imperatief voorschrijven dat de aanvraag door de vreemdeling in persoon dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger moet worden gedaan, leidt niet tot de conclusie dat een door de gemachtigde van de vreemdeling ingediende aanvraag niet als een rechtsgeldige aanvraag in behandeling kan worden genomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Afdelingsuitspraak 200502565/1 van 27 juli 2005. Nu verweerder eiseres niet eerder heeft tegengeworpen dat zij de aanvraag persoonlijk had moeten indienen en eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld haar aanvraag alsnog in overeenstemming te brengen met de eisen van de artikelen 23 en 36 Vw 2000 staat het verweerder niet vrij in deze procedure voor het eerst in beroep tegen te werpen dat haar aanvraag niet in overeenstemming met artikel 23 Vw 2000 is ingediend. De rechtbank merkt de brief van 3 februari 2003 dan ook aan als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen