Rb. 's-Gravenhage 10 oktober 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU4631

Leges / herstel verzuim / artikel 4:5 Awb. Overwogen wordt dat ingevolge artikel 3.34, zevende lid, VV 2000 per aanvraag de verschuldigde leges worden geheven. De beslissing tot legesheffing en het bieden van gelegenheid tot betaling van het legesbedrag kan pas worden gegeven nadat de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend. De rechtbank is daarom van oordeel dat de brief van verweerder van 14 oktober 2003 moet worden aangemerkt als een eerste verzoek aan de vreemdeling om de verschuldigde leges voor de in die brief genoemde betaaldatum te voldoen. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder bij brief van 27 februari 2004 de gemachtigde van eiser er (wederom) op heeft gewezen dat leges verschuldigd zijn en eiser een termijn tot 13 maart 2004 heeft gesteld voor de betaling hiervan. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze brief of, in de terminologie van verweerder, aanmaning moet worden aangemerkt als een gelegenheid als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, Awb voor de aanvrager om de aanvraag binnen de door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Waarbij onder “aan te vullen” hier moet worden verstaan de betaling van de verschuldigde leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Dat in het onderhavige geval vijf maanden zijn verstreken alvorens verweerder aan eiser de gelegenheid heeft geboden dit verzuim te herstellen maakt dit niet anders. Niet in geschil is dat eiser de verschuldigde leges niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan en verweerder binnen vier weken na deze termijn de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen