Rb. 's-Gravenhage 20 september 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU3694

Herhaalde aanvraag / wijziging van recht / bevoegdheid tot uitzetting / artikel 1F VSV / artikel 3 EVRM. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 Awb afgewezen, omdat het voor de aanvraag relevante recht is gewijzigd. Het eerdere besluit dateert van 22 maart 2000. Onder de oude Vreemdelingenwet vormde de bevoegdheid en de verplichting tot uitzetting van een vreemdeling geen gevolg van rechtswege van het besluit tot niet inwilliging van de aanvragen om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf. In het systeem van de Vreemdelingenwet 2000, zoals neergelegd in artikel 45 Vw 2000, is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege van de afwijzing van de asielaanvraag en is die bevoegdheid niet discretionair van aard. Aan de vreemdeling is artikel 1F VSV tegengeworpen. Het besluit moet er daarom blijk van geven dat de minister heeft onderzocht of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst, waartoe de bevoegdheid voortvloeit uit een afwijzende meeromvattende beschikking, en zo ja of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is. Dit juridisch kader wijkt af van het beoordelingskader zoals dat gold onder de oude Vreemdelingenwet. Onder het nieuwe recht moet immers eisers beroep op artikel 3 EVRM ter voorkoming van zijn uitzetting zowel vanwege zijn angst voor de doodstraf wegens desertie als de gevolgen van zijn uitzetting voor (het verloop van) zijn ziekte, anders dan voorheen, ondanks terechte tegenwerping van artikel 1F VSV, in het besluit op de (nieuwe) aanvraag worden meegewogen. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.vvvv

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen