Rb. 's-Gravenhage 26 augustus 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU3268

Bewaring / lichter middel / belangenafweging. In beginsel kunnen de gronden die verweerder in casu aan de bewaring ten grondslag heeft gelegd de maatregel dragen. Dat ontslaat verweerder echter niet van een kenbare afweging van deze gronden tegen de persoonlijke belangen van de vreemdeling, met name in die zaken waarin het belang van verweerder bij inbewaringstelling niet evident uit de daartoe aangevoerde gronden blijkt, zoals bijvoorbeeld in het geval van een ongewenstverklaring, het onttrekken aan toezicht of langdurig illegaal verblijf. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om vreemdelingen met zeer jonge kinderen, voor wie het uitgangspunt moet zijn dat deze slechts in bijzondere gevallen met de gevolgen van een maatregel van bewaring geconfronteerd moeten worden. Bovendien blijkt uit de stukken dat eisers in ieder geval een zekere vorm van medewerking aan hun uitzetting hebben verleend en zijn er ook geen aanwijzingen dat zij zich ooit aan maatregelen van toezicht hebben onttrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom, gelet op de hierboven genoemde omstandigheden, in dit geval de openbare orde juist de maatregel van bewaring vorderde, ook al waren de door verweerder genoemde gronden hier aanwezig, en niet kon worden volstaan met een lichter middel van toezicht, zoals bijvoorbeeld de maatregel van artikel 57 Vw 2000 die eisers ook al was opgelegd. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen