Rb. 's-Gravenhage 10 augustus 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU2511
[...] Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat verweerder de bij het besluit betrokken belangen niet voldoende heeft gewogen en derhalve op grond van déze afweging in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren verzoeker de gevraagde toestemming te verlenen voor het opnemen van vakantie in de periode van medio september tot medio oktober 2005. Het bestreden besluit zal naar verwachting in bezwaar niet stand kunnen houden, tenzij verweerder erin slaagt de bestreden weigering nader te onderbouwen. Gebleken is dat verweerder er niet in is geslaagd om eerder dan 6 september 2005 een hoorzitting te doen plaatsvinden, zodat niet valt uit te sluiten dat vóór het begin van de voorgenomen vakantie nog geen beslissing op het bezwaar zal zijn genomen. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding een voorlopige voorziening treffen in die zin dat het bestreden besluit van 21 april 2005 tot de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar wordt geschorst en dat verzoeker tot die tijd behandeld moet worden als ware hem toestemming verleend om in de periode van medio september 2005 tot medio oktober 2005 vakantie op te nemen. Uiteraard realiseert de voorzieningenrechter zich dat dit met zich kan brengen dat indien verweerder er niet in slaagt vóór deze vakantieperiode een beslissing op verzoekers bezwaar te nemen het geschil hiermee feitelijk zal zijn beslecht. Verweerder heeft evenwel zelf in de hand of deze mogelijkheid werkelijkheid wordt, zodat in die zin ook geen sprake is van een voorziening met onomkeerbare gevolgen. Hierbij is meegewogen dat de termijn waarbinnen op het bezwaar beslist moet zijn op de datum van de hoorzitting al is verstreken. [...]
De uitspraak op rechtspraak.nl