Rb. 's-Gravenhage 23 augustus 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1477
Bewaring / onverwijld op de hoogte stellen autoriteiten land van herkomst. De vreemdelinge heeft onder meer betoogd dat de vreemdelingenbewaring van aanvang af onrechtmatig is, aangezien artikel 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen niet is nageleefd, nu verweerder ten onrechte niet het consulaat van de Dominicaanse Republiek onverwijld op de hoogte heeft gesteld van de inbewaringstelling. Zou verweerder dat wel hebben gedaan, dan had de vreemdelinge op zijn minst tien dagen eerder kunnen worden uitgezet. De rechtbank overweegt dat de kennisgeving ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van het Weens Verdrag onverwijld dient plaats te vinden. De term 'onverwijld' moet worden uitgelegd als: zonder uitstel, dadelijk. Daarmee is in overeenstemming dat de kennisgeving blijkens artikel 5.4 VV 2000 plaatsvindt door de hulpofficier van justitie die tot de inbewaringstelling bevoegd is. De rechtbank overweegt in dit verband dat voor andere handelingen door verweerder in het kader van de bewaring de hoedanigheid van hulpofficier van justitie niet vereist is, zodat mag worden aangenomen dat de betrokkenheid van de hulpofficier van justitie eindigt na het besluit tot inbewaringstelling. Mitsdien dient ervan te worden uitgegaan dat met het samenstel van de artikelen 5.5 Vb 2000 en 5.4 VV 2000 is beoogd te regelen dat de mededeling aan de consulaire vertegenwoordiging onmiddellijk na de inbewaringstelling plaatsvindt. De rechtbank volgt dan ook niet de stelling van verweerder ter zitting dat aan de verplichting van artikel 5.5, tweede lid, Vb 2000 is voldaan met de laissez-passeraanvraag van 13 juli 2005. Mitsdien moet het er voor worden gehouden dat verweerder in strijd heeft gehandeld met zijn verplichting ingevolge artikel 5.5, tweede lid, Vb 2000. Met betrekking tot de vraag of de vreemdelinge hierdoor in haar belangen is geschaad is van belang de vraag of de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank overweegt daartoe dat in beginsel aan verweerder een termijn van veertien dagen wordt gegund om zich te beraden over nader te nemen stappen ten aanzien van de uitzetting van de vreemdeling. Nu er voldoende gronden voor de inbewaringstelling van de vreemdelinge aanwezig waren, en verweerder binnen die termijn van veertien dagen een laissez-passeraanvraag bij de Dominicaanse autoriteiten heeft ingediend is de rechtbank niet gebleken van een onevenredigheid in de belangenafweging van verweerder. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl