Rb. 's-Gravenhage 9 juni 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU0037
[...] 1. Door een fout bij het door eiser ingeschakelde octrooigemachtigden-kantoor Fulbright & Jaworski (hierna &J) is de jaarlijkse taksenbetaling voor Nederland betreffende het Europees octrooi 0.364.255 (hierna: "het octrooi") achterwege gebleven. Met een beroep op artikel 23 Rijksoctrooiwet 1995, heeft eiser aan het Bureau voor de Industriële Eigendom (thans geheten Octrooicentrum Nederland) herstel in de vorige toestand verzocht. Artikel 23 lid 1 van die wet luidt als volgt: Indien de aanvrager of de houder van een octrooi dan wel de houder van een Europees octrooi, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest een termijn ten opzichte van het bureau of het bureau bedoeld in artikel 99 in acht te nemen, wordt op zijn verzoek door het bureau de vorige toestand hersteld, indien het niet in acht nemen van de termijn ingevolge deze rijkswet rechtstreeks heeft geleid tot het verlies van enig recht of rechtsmiddel. [...] 7. Daar komt nog bij dat verweerder tevens terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een werkelijk geïsoleerde misslag, hetgeen hij als een noodzakelijke voorwaarde mocht beschouwen voor een geslaagd beroep op artikel 23 Rijksoctrooiwet 1995 (vgl. bijv. Rb Den Haag 29 oktober 1999, BIE 2000, 4). Niet alleen blijkt dit uit het feit dat dezelfde betalingen ontbraken voor bovengenoemde twee andere landen. [manager] heeft bovendien onvoldoende duidelijk verklaard dat, en zo ja op welke wijze, zij in dit geval anders heeft gehandeld dan hetgeen zij normaliter deed. Met name kan uit haar verklaringen niet worden afgeleid dat zij ook een controle uitoefende op het eventueel ontbreken van landen in de set van kopieën/emails die [administratrice] aan haar liet zien. [...] Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AV0269.
De uitspraak op rechtspraak.nl