Rb. 's-Gravenhage 18 juli 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU0004

Aanvraag verblijfsvergunning onbepaalde tijd / geprivilegieerde status / artikel 3.93, lid 1, a en c, Vb 2000. Blijkens het verslag van het gehoor van de Ambtelijke Commissie gehouden op 27 januari 2005 liep het contract van de vader van eiseres af medio februari 2005 en zou hij daarna nog drie maanden in dienst blijven bij het OPCW. Tot die tijd had de vader van eiseres nog de geprivilegieerde status. Niet in geding is dat eiseres meerderjarig is en dat zij langer dan tien jaar als vreemdeling in Nederland heeft verbleven. Echter eiseres komt, als afhankelijk gezinslid, als bedoeld in artikel 3.93, eerste lid, onder c, Vb 2000 eerst in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd indien de vreemdeling bedoeld in artikel 3.93, eerste lid, onder a, Vb 2000 (haar vader) anders dan door eigen toedoen, zijn geprivilegieerde status heeft verloren. De rechtbank ziet geen grond de tweede zinsnede artikel 3.93, eerste lid, onder a, Vb 2000 niet van toepassing te achten op de persoon die afhankelijk gezinslid als bedoeld onder c van die bepaling is van een onder a, eerste zinsnede, bedoelde persoon. Niet alleen is dat grammaticaal de eerst aangewezen interpretatie, ook de toelichting bij het Vb 2000 stelt expliciet dat het pas de bedoeling is de personen onder a en hun afhankelijke gezinsleden voor een verblijfsvergunning in aanmerking te brengen indien zij hun geprivilegieerde status verliezen. Verder overweegt de rechtbank dat een andere uitleg ertoe zou leiden dat deze personen een dubbele verblijfsstatus in Nederland zouden krijgen, hetgeen evident niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Op het moment van het nemen van het bestreden besluit was aan deze voorwaarde nog niet voldaan, immers de vader van eiseres had op dat tijdstip zijn status nog niet verloren. Tijdens het bovenvermelde gehoor op 27 januari 2005 is door eiseres aangegeven dat de betrekking van haar vader bij de OPCW eindigt per medio februari 2005, waarna zijn geprivilegieerde status nog drie maanden voortduurt en medio mei wordt beëindigd. Dat betekent dat op dat tijdstip eiseres dus weliswaar nog niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.93, onder a en c, Vb2000, maar dat wel reeds vaststond dat zij binnen een afzienbare periode daar wel aan zou gaan voldoen. Deze omstandigheid heeft verweerder in het geheel niet bij de besluitvorming betrokken. De rechtbank vat op grondslag van artikel 8:69, tweede lid, Awb, de beroepsgronden omtrent de wijze van besluitvorming mede op als gericht tegen de zorgvuldigheid waarmee die is verricht. Gelet op de duur en het verloop van de procedure had verweerder het nemen van het besluit op de aanvraag kunnen aanhouden totdat de vader van eiseres daadwerkelijk zijn status had verloren en eiseres aan de voorwaarden van artikel 3.93 Vb2000 voldeed. Door direct te beslissen zonder deze omstandigheid (kenbaar) bij de besluitvorming te betrekken heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 3:2 Awb. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen