Rb. 's-Gravenhage 15 juni 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9366
[...] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, op wie in dezen de bewijslast rust, zijn stelling dat sprake is van opzet of grove schuld, tegenover de betwisting daarvan door eiseres, niet aannemelijk gemaakt. De door eiseres op dit punt aangedragen argumenten, in het bijzonder dat zij - in ieder geval tot 15 juli 2003, op welke dag de looncontrole plaatsvond - te goeder trouw meende dat haar loonadministratie en de wijze waarop zij haar loonopgaveverplichting nakwam in overeenstemming waren met de terzake geldende voorschriften, wettigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat eiseres in de nakoming van haar loonopgaveverplichting geenszins dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat haar terzake ten minste grove schuld kan worden verweten. Met hetgeen verweerder daartegenover heeft gesteld, heeft hij dit vermoeden niet ontzenuwd. De door verweerder vermelde omstandigheid dat eiseres bij twijfel over de verzekeringsplicht contact had moeten opnemen met verweerder leidt niet tot een ander oordeel omdat, naar uit het vorenstaande volgt, eiseres deze twijfel tot 15 juli 2003 niet koesterde en evenmin behoefde te koesteren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, naar eiseres onweersproken heeft gesteld, de werkzaamheden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de plaats die zij in het bedrijf van eiseres innemen, zodanig verschillen van de werkzaamheden en de plaats van [werkneemster], die -naar niet in geschil is - werknemer van eiseres is, dat verweerders stelling dat de gelijksoortigheid van het werk van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en dat van deze werknemer, bij eiseres tot twijfel over de juistheid van haar handelwijze had moeten leiden, niet opgaat. [...]
De uitspraak op rechtspraak.nl