Rb. 's-Gravenhage 26 mei 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8606
Bevoegdheid Minister van Buitenlandse zaken m.b.t. terugkeervisum / rechtmatig verblijf. In artikel 2:3, eerste lid, onder d, Vb 2000 is bepaald dat toegang tot Nederland niet wordt geweigerd indien in het document voor grensoverschrijding een door Onze Minister afgegeven verklaring is opgenomen die aan de vreemdeling recht geeft op terugkeer tot Nederland. In WBV 2005/20 hebben de Ministers van Buitenlandse Zaken en voor Vreemdelingenzaken en Integratie als beleidsregel neergelegd dat een terugkeervisum een dergelijke verklaring is. De bevoegdheid om zodanige terugkeervisa af te geven berust bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, omdat in het Vb 2000 met “Onze Minister” die Minister bedoeld wordt. De voorzieningenrechter constateert dat op de aanvraag is beslist door de Minister van Buitenlandse Zaken. Naar voorlopig oordeel is het bestreden besluit dan ook onbevoegd genomen. Deze constatering is echter onvoldoende om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen, omdat daar nog niet uit volgt dat het terugkeervisum in bezwaar alsnog zal moeten worden verleend. Verzoeker heeft op dit moment geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, g of h, Vw 2000. De toegewezen voorlopige voorziening is uitgewerkt, aangezien deze inhield dat uitzetting achterwege moest blijven totdat op het bezwaar was beslist en zulks op 15 november 2004 is geschied. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar heeft de werking van het besluit niet opgeschort. Voorts is op het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening voor de beroepsfase nog niet beslist. Niet is gesteld of gebleken dat verzoeker heeft aangedrongen op een beslissing op dat nog hangende verzoek om een voorlopige voorziening en evenmin dat daarop inwilligend zal moeten worden beslist. Verzoek afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl