Rb. 's-Gravenhage 4 mei 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT5474
'14-1-brief' / verblijf bij ouders. De vraag is aan de orde gesteld wat de gevolgen dienen te zijn van verweerders mededeling dat de '14-1-brief' van 22 januari 2003 wordt betrokken bij de verdere besluitvorming in de verblijfsprocedure, en, in het verlengde hiervan, de vraag of het bestreden besluit tevens een besluit is op het verzoek dat is opgenomen in de '14-1-brief' dan wel op het in het kader van de '14-1-procedure' ingestelde bezwaar van 18 juli 2003. In haar uitspraak van heden heeft de rechtbank geoordeeld dat de '14-1-brief' in dit geval een aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb. Gelet op het stelsel van de Awb, in het bijzonder artikel 1:3, tweede en derde lid, en artikel 4:13 Awb dient op een aanvraag een besluit te worden genomen. Verweerder heeft aan deze verplichting voldaan, nu verweerder, zoals de rechtbank in haar uitspraak van heden heeft geoordeeld, bij brief van 27 juni 2003 op de aanvraag heeft beslist. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder daarnaast in een brief heeft meegedeeld dat de '14-1-brief' wordt betrokken bij de verdere besluitvorming in de verblijfsprocedure. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij stond om de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden te betrekken bij de vraag of er in het kader van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning bij zijn ouders aanleiding was van het toepasselijke beleid af te wijken. Dit ontslaat verweerder echter niet van de verplichting te beslissen op de aanvraag van 22 januari 2003, en op een eventueel daarop volgend bezwaar. Het thans bestreden besluit behelst derhalve noch een besluit op de aanvraag van 22 januari 2003, noch op het bezwaar van 18 juli 2003. Verweerder heeft op goede gronden geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning bij zijn ouders. Voorzover eiser met zijn stelling dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn beroep om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de schrijnende-gevallenregeling, heeft bedoeld dat verweerder zijn toezegging dat de '14-1-brief' in de verdere procedure zou worden betrokken, geen gestand heeft gedaan, kan deze stelling hem niet baten. Nu de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat verweerder aan eiser geen verblijf kan toestaan onder de gevraagde beperking, kan het al dan niet meenemen van de aangevoerde gronden in het kader van de schrijnende-gevallenregeling niet tot een ander resultaat leiden. Van het wettelijk stelsel kan immers niet met toepassing van artikel 4:84 Awb worden afgeweken. Bovendien laat deze gang van zaken onverlet dat verweerder op de aanvraag van 22 januari 2003 een besluit diende te nemen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl