Rb. 's-Gravenhage 8 april 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT4480
Paspoortvereiste / derdelander / richtlijn 68/360 / verordening 1612/68. Verzoeker stelt dat tegenwerping van het paspoortvereiste in strijd is met de tekst van artikel 4, derde lid, Richtlijn 68/360/EEG. In het arrest van 17 februari 2005 in de zaak Oulane (C-215/03) oordeelde het HvJEG dat een lidstaat op grond van het EG-recht van ontvangers van diensten die onderdaan zijn van een andere lidstaat zijn, een bewijs van identiteit en nationaliteit mag verlangen indien zij op zijn grondgebied wensen te blijven, doch dat een lidstaat niet mag verlangen dat die onderdaan een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort overlegt, wanneer het bewijs van zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen kan worden geleverd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding te veronderstellen dat deze overwegingen van het HvJEG niet evenzeer van toepassing zijn op familieleden van onderdanen van lidstaten die in een andere lidstaat als werknemer arbeid in loondienst hebben aanvaard en verrichten. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 vervatte bevoegdheid het paspoortvereiste tegen te werpen, bezien in samenhang met de in paragraaf B1/2.2.2 Vc 2000 neergelegde wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik pleegt te maken strookt met de lijn van deze jurisprudentie van het HvJEG en met artikel 4 Richtlijn 68/380/EEG. Dit betekent dat verzoekers standpunt verworpen dient te worden. Voorts heeft verzoeker zich beroepen op twee uitspraken van het VN-Mensenrechtencomité inzake Winata van 26 juli 2001en Bakhtiyari van 6 november 2003, waarin vooral artikel 17 IVBPR centraal stond. Deze bepaling verbiedt willekeurige en onwettige inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven. Het Comité formuleert als uitgangspunt dat het enkele feit dat een gezinslid verblijf in een land wordt toegestaan, terwijl andere gezinsleden dat land zullen moeten verlaten niet zonder meer inmenging in evenbedoelde zin oplevert. In de door verzoeker aangehaalde zaken kon naar het oordeel van het Comité op grond van zeer bijzondere omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, gesproken worden van willekeurige inmenging in het recht op gezinsleven. In onderhavig geval zijn echter geen omstandigheden gesteld of gebleken die de voorzieningenrechter aanknopingspunten bieden om hier tot een gelijke conclusie te komen. Verzoeker heeft nog gewezen op overweging 9.7 van de uitspraak inzake Bakhtiyari, waarin het Comité stelt dat lidstaten op grond van artikel 24 IVBPR gehouden zijn bij alle - en derhalve ook individuele - besluiten die gevolgen kunnen hebben voor een kind, het belang van dat kind in hun overwegingen te betrekken. Nog afgezien van de vraag of deze redenering moet worden gevolgd geldt ook hier dat verzoeker niet heeft aangegeven welke bijzondere, met de dochter en stiefzoon van verzoeker verbandhoudende, omstandigheden verweerder bij zijn besluit had moeten betrekken, zodat ook deze grief niet kan leiden tot het beoogde doel. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl