Rb. 's-Gravenhage 12 april 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT4150

Bewaring / redelijk vermoeden van illegaal verblijf / binnentreden woning. Na vreemdelingenrechtelijke binnentreden en staandehouding, wordt eiser naar luid van de processen-verbaal strafrechtelijk aangehouden voor het tonen van een vals paspoort. Na verval strafvorderlijk belang wordt eiser vreemdelingenrechtelijk opgehouden en in bewaring gesteld. Rechtbank oordeelt binnentreden onrechtmatig wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De keten van handelingen wordt door het als strafrechtelijk gekwalificeerde optreden niet zodanig onderbroken, dat de vreemdelingenrechter de rechtmatigheid van het binnentreden niet meer kan beoordelen en dat een oordeel omtrent de rechtmatigheid van dat binnentreden geen gevolgen meer kan hebben voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Doorslaggevend is daarbij de intentie waarmee de verbalisanten zijn binnengetreden, terwijl niet is gebleken van een feitelijke en uitdrukkelijke wijziging van het doel waartoe de bevoegdheden door de verbalisanten werden uitgeoefend. Tussen het moment van ophouding en inbewaringstelling zijn overigens meer dan zes uren verstreken. Er is geen plaats voor een afweging van de ernst van het gebrek van de aan de bewaring voorafgaande vreemdelingenrechtelijke ambtsuitoefening tegen de met die bewaring gediende belangen, nu dat gebrek de bevoegdheid tot uitoefening betreft. De inbewaringstelling is daarom onrechtmatig. Beroep gegrond, toekenning gedeelte van schadevergoeding, heropening ter vaststelling volledige schadevergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen