Rb. 's-Gravenhage 5 januari 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT1799
Bevoegdheid tot uitzetting. Artikel 6.1, eerste lid, VV 2000 bepaalt dat de ambtenaren belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn tot uitzetting over te gaan en daartoe alle benodigde handelingen te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee aan de desbetreffende ambtenaren een mandaat verleend tot het verrichten van feitelijke handelingen in het kader van uitzetting van vreemdelingen en niet tot het verrichten van rechtshandelingen zoals het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Een dergelijke bevoegdheid kan ook niet volgen uit de aan de desbetreffende ambtenaren toegekende feitelijke bevoegdheden van uitvoerende aard. Ook de algemene machtigingsregeling IND 2002 bevat naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag voor mandatering aan de korpschef van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten omtrent de toepassing van artikel 64 Vw 2000. Verder is niet gebleken van een ander besluit tot mandaat. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een mogelijk bevoegdheidsgebrek niet zonder meer door de gevoerde bezwaarprocedure is geheeld nu deze kwestie in die procedure niet aan de orde is geweest en verweerder het besluit in primo ook niet uitdrukkelijk voor zijn rekening heeft genomen maar slechts het daartegen gerichte bezwaar ongegrond heeft verklaard. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl