Rb. 's-Gravenhage 16 november 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7275
Afghanistan / Sikhs / bescherming autoriteiten. Er moet van de geloofwaardigheid van het relaas van eisers worden uitgegaan. Op grond daarvan moet als vaststaand worden aangenomen dat zij omwille van hun religieuze overtuiging slachtoffer zijn geworden van discriminatie en geweld uitgeoefend door zowel personen gelieerd aan de opeenvolgende regimes, met inbegrip van de Mudjaheddin, als door individuele medeburgers. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt, dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde vrees hebben voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, onvoldoende heeft gemotiveerd. Aannemelijk is dat de autoriteiten kennelijk geen, althans niet voldoende bescherming kunnen of willen bieden. Verweerder kon niet volstaan met te wijzen naar de verdrijving van de Taliban, maar had concreet dienen te motiveren waarom juist Sikhs die al slachtoffer zijn geworden van religieuze vervolging, daarvoor niet te vrezen zullen hebben bij terugkeer. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl