Rb. 's-Gravenhage 15 september 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4546
Een Filippijns meisje en haar ouders vorderen materiële en immateriële schadevergoeding door een Nederlandse man die het meisje seksueel heeft misbruikt. Toepasselijk recht? De rechtbank beoordeelt de vorderingen naar Filippijns recht. Gedaagde is in beginsel civielrechtelijk aansprakelijk voor de gevolgen van zijn handelen. De feiten zijn naar Filippijns recht niet verjaard. De bedragen die het meisje wegens immateriële schade heeft gevorderd, worden door de rechtbank toegewezen. De rechtbank acht voldoende komen vast te staan dat er sprake is van door gedaagde veroorzaakte, immateriële schade bij het meisje. Aan materiële schadevergoeding wordt aan het meisje een vergoeding wegens loonderving toegekend. De rechtbank acht aannemelijk dat het meisje een jaar niet heeft kunnen werken. De immateriële schade van de vader wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Aan de moeder wordt enige vergoeding wegens immateriële schade toegekend.
De uitspraak op rechtspraak.nl