Rb. 's-Gravenhage 1 juni 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3556

Visum kort verblijf / vestigingsgevaar / openbare orde. Verweerder stelt dat eiseressen het doel van hun voorgenomen verblijf, op basis van een visum kort verblijf, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt en dat er tegen hun verblijf bezwaar bestaat uit hoofde van de openbare orde, de openbare rust of de nationale veiligheid. Eiseressen betwisten de aan dit standpunt ten grondslag liggende motivering en zijn van mening dat de weigering hen een bezoek aan hun zoon c.q. broer toe te staan schending oplevert van artikel 8 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen stellen dat eiseressen het gestelde verblijfsdoel niet aannemelijk hebben gemaakt, en dat, mede gelet op het niet onredelijke beleid zoals met name neergelegd in de hoofdstukken A2/4.5, A2/9.8.3.2 en B1/1.1.2 Vc 2000, sprake is van een voornemen om langer dan drie maanden in Nederland te verblijven, zodat eiseressen niet in aanmerking komen voor de gevraagde visa. Voorts overweegt de rechtbank, ingevolge vaste jurisprudentie ter zake van familierelaties tussen meerderjarigen, dat de bescherming van artikel 8 EVRM op grond van familie- of gezinsleven slechts kan worden ingeroepen, indien sprake is van elements of further dependency, involving more than normal emotional ties, waarvan verweerder in casu niet is gebleken en door eiseressen in beroep niet is bestreden. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen