Rb. 's-Gravenhage 23 juni 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AR2416
Bewaring / uitzetcentrum / termijn. De rechtbank overweegt dat tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in het uitzetcentrum Rotterdam voor een langere duur dan 28 dagen in beginsel geoorloofd is. Dit neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat het uitzetcentrum ertoe dient in bewaring gestelde vreemdelingen op te nemen, die op korte termijn uitzetbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan het regime in het uitzetcentrum Rotterdam niet worden gelijkgesteld met het regime in een huis van bewaring, ook al zijn verbeteringen aangebracht in het uitzetcentrum. Verweerder voert geen specifiek beleid met betrekking tot de duur van de vreemdelingenbewaring in het uitzetcentrum Rotterdam. De rechtbank overweegt dat verweerder tijdens de mondelinge behandeling van het eerste beroep heeft aangegeven dat zou worden getracht de vreemdeling vóór het verstrijken van de termijn van 28 dagen te plaatsen in een huis van bewaring, dat de vreemdeling met het oog daarop ook is aangemeld bij het selectiecentrum en dat de maatregel van vreemdelingbewaring ten tijde van de mondelinge behandeling van het beroep op twee dagen na gedurende twee maanden in het uitzetcentrum Rotterdam ten uitvoer is gelegd. Gelet op het voorgaande, alsmede rekening houdend met hetgeen verweerder heeft verklaard met betrekking tot de activiteiten die worden ondernomen ter fine van uitzetting en de resultaten daarvan, ziet de rechtbank aanleiding de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in het uitzetcentrum Rotterdam niet langer rechtmatig te achten en de overbrenging van de vreemdeling naar een huis van bewaring te bevelen binnen veertien dagen na verzending van deze uitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl