Rb. 's-Gravenhage 12 augustus 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ9873
Mvv-vereiste / hardheidsclausule / 8 EVRM. Verzoekster is sedert 1998 tot haar inreis in Nederland in 2003 gedurende vijf jaren van haar echtgenoot gescheiden geweest, Door toedoen van de reisagent is zij van haar zeer jonge kinderen gescheiden geraakt. Nadat zij weer met haar kinderen is herenigd is verzoekster opnieuw van hen gescheiden, toen zij na in juli 2002 in het bezit te zijn gesteld van een mvv, naar Nederland vertrokken. Door alarmerende berichten over de gezondheidstoestand van haar jongste zoon zag zij geen andere keus dan naar Nederland te vertrekken. In bezwaar zijn medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van deze stelling. Verzoekster heeft weliswaar, door niet de uitkomst van de mvv-procedure af te wachten, met haar aanwezigheid hier te lande verweerder voor een voldongen feit gesteld, maar daar staat tegenover dat in de mvv-procedure al verzoeksters identiteit als echtgenote en moeder was vastgesteld, zij aangetoond had dat haar huwelijk met de vader van haar kinderen in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente ’s-Gravenhage is geregistreerd en zij een kopie van haar paspoort heeft overgelegd. Tenslotte is niet zonder betekenis dat vanaf 6 juni 2001 de door haar echtgenoot in gang gezette referentenprocedure is gevolgd en zij het verloop van die procedure in Moskou ruim twee jaar heeft afgewacht. Hoewel zij vooruitlopend op de uitkomst van de mvv-procedure naar Nederland is gereisd, kan bezwaarlijk worden gezegd dat daarvoor geen goede grond bestond. Het standpunt van verweerder, dat de medische stukken met betrekking tot de zoon niet nopen tot vrijstelling van het mvv-vereiste omdat de omstandigheden die aanleiding geven tot toepassing van de hardheidsclausule gelegen dienen te zijn in de persoon van verzoekster kan niet gevolgd worden. Uit de wetsgeschiedenis op artikel 16a Vw (oud) komt naar voren dat bij toepassing van de hardheidsclausule met name gedacht is aan situaties, waarin de terugreis voor een betrokkene buitengewoon bezwaarlijk zou zijn in verband met de zorg voor kinderen. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat, gelet op de bijzondere feiten en betrokken belangen, het tegenwerpen van het mvv-vereiste zich evenmin verdraagt met het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op respect voor het familie- of gezinsleven. Toewijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl