Rb. 's-Gravenhage 12 augustus 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ8583
Eiser vordert (samengevat) dat gedaagden zullen worden bevolen elke inbreuk op het Nederlands octrooi 1022779 (Niveauregeling voor vloeistofdoorvoer) te staken en gestaakt te houden. Eiser legt aan die vordering ten grondslag dat gedaagde Estrad inrichtingen vervaardigt die inbreuk maken op het octrooi, terwijl de overige gedaagden die inrichtingen verkopen. Estrad heeft aangevoerd dat het octrooi nietig is vanwege openbaar voorgebruik alsook in het licht van diverse publicaties. In verband hiermee zal aan Estrad op de voet van artikel 76 lid 2 ROW 1995 worden opgedragen een advies van het BIE over te leggen omtrent de toepasselijkheid van de in artikel 75 lid 1 ROW 1995 genoemde nietigheidsgronden. De zaak zal daartoe worden aangehouden. In afwachting van het advies van het BIE zal niet reeds een inbreukverbod worden gegeven. De omstandigheid dat een Nederlands octrooi is verleend brengt geenszins met zich dat daarmee een uitvinding is geoctrooieerd. Men kan immers zonder probleem een Nederlands octrooi verkrijgen op het wiel of op de telefoon. Het Nederlands octrooi is niets anders dan een zonder toetsing van welke objectieve instantie dan ook geformuleerde pretentie. Indien een dergelijke pretentie serieus wordt betwist (waaronder valt te verstaan: met argumenten die niet op het eerste gezicht ongegrond voorkomen) kan daarop in de regel geen inbreukverbod worden gestoeld. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval van die regel zou moeten worden afgeweken, is niet gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl