Rb. 's-Gravenhage 25 augustus 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ8582
Bij vonnis van 19 maart 2003 is Hovas Schaik B.V. op vordering van J. van Walraven B.V. verboden om direct dan wel indirect inbreuk te maken op Europees octrooi EP 0 627 587 (vloerbochten) dat aan Van Walraven toebehoort; tevens is Hovas veroordeeld aan Van Walraven de schade te vergoeden, nader op te maken bij staat. De rechtbank bepaalde dat de schadestaatvordering toewijsbaar is voor geleden schade vanaf 20 juli 2001. Van Walraven vordert thans dat de rechtbank Hovas veroordeelt tot betaling van de schade volgens de door haar ingediende staat inhoudende een bedrag van EUR 50.811,30 terzake van door haar geleden omzetverlies in de verkoop van de vloerbochten, danwel een bedrag van EUR 33.761,08 terzake winstafdracht, alles met rente en onder uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring. De rechtbank acht genoegzaam duidelijk geworden dat Hovas verantwoordelijk is voor het leeuwendeel van de (plotselinge) omzetdaling bij Van Walraven. De rechtbank stelt de schade terzake door Van Walraven gederfde winst ex aequo et bono vast op een bedrag van EUR 42.000,00. Ten aanzien van de beoordeling vanaf welk moment de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag is gaan lopen, overweegt de rechtbank dat, gelet op het in art. 6:83 sub b BW bepaalde, in beginsel zou moeten worden uitgegaan van de datum van verkoop van iedere inbreukmakende bocht. In aanmerking genomen echter dat de schade ex aequo et bono is vastgesteld en zodoende niet op directe wijze kan worden gerelateerd aan iedere individuele inbreukmakende bocht, gaat de rechtbank uit van een ingangsdatum voor de wettelijke rente die het midden houdt tussen 20 juli 2001 en 15 april 2003
De uitspraak op rechtspraak.nl