Rb. 's-Gravenhage 19 mei 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ4467
Medische behandeling partner / inherente afwijkingsbevoegdheid. In 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een vtv met als doel verblijf bij echtgenote gedurende haar medische behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het ontbreken van een geldig paspoort in dit geval niet in redelijkheid mogen tegenwerpen, maar had hij in de gestelde feiten aanleiding moeten zien om gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Niet in geschil is dat de echtgenote voor haar verzorging geheel en al is aangewezen op eiser en dat zij zonder zijn zorg en die van de kinderen niet zal kunnen overleven. Reeds op grond hiervan had verweerder aanleiding moeten zien om af te wijken van hoofdstuk B1/2.2.2 Vc 2000. Daarnaast acht de rechtbank de overweging van verweerder dat eiser zijn gestelde contacten op geen enkele manier heeft onderbouwd feitelijk onjuist. Het dossier bevat bewijzen van aangetekende schrijven en kopieën en vertalingen van brieven. Voorts heeft eiser een circulaire van de Armeense ambassade overgelegd, waaruit blijkt dat het beschikken over een verblijfsstatus voor de Benelux als voorwaarde wordt gesteld voor de afgifte van een paspoort. Verweerder had er niet zonder meer vanuit mogen gaan dat eiser onder de gegeven omstandigheden in het bezit kan komen van een geldig paspoort en had verweerder moeten bezien of zich een situatie ex artikel 3.72 Vb 2000 voordeed. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl