Rb. 's-Gravenhage 26 maart 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ2090

Détournement de pouvoir / motivering / verbeuring dwangsom. De rechtbank heeft in de uitspraak van 10 september 2003 geoordeeld dat verweerder opnieuw niet tijdig heeft beslist op het bezwaar. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen een termijn van vier weken na verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar te nemen en heeft tevens een dwangsom vastgesteld. Deze uitspraak kan alleen aldus worden verstaan dat is opgedragen een besluit te nemen waaraan de noodzakelijke inhoudelijke afweging ten grondslag ligt. Gezien de minuut van het bestreden besluit stelt de rechtbank vast dat het besluit is genomen met het enkele doel daarmee te voldoen aan eerdergenoemde uitspraak om te beslissen binnen de gestelde termijn en daarmee te voorkomen dat de gestelde dwangsom werd verbeurd. Dit is door verweerder ter zitting ook erkend. Nu bij het nemen van het besluit verweerder uitsluitend de bedoeling heeft gehad om de verbeuring van de dwangsom te ontlopen, terwijl bijzondere feiten en omstandigheden ter rechtvaardiging van deze handelswijze zich niet hebben voorgedaan, heeft verweerder de bevoegdheid tot het nemen van zijn besluit voor een ander doel aangewend dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd met het in artikel 3:3 Awb opgenomen verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld. Beroep gegrond. Het verzoek van eiseres te bepalen dat verweerder de bij eerdere uitspraak opgelegde dwangsom heeft verbeurd wordt afgewezen. De vaststelling of dwangsommen daadwerkelijk zijn verbeurd, behoort niet tot de bevoegdheid van de bestuursrechter.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen