Rb. 's-Gravenhage 28 mei 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ1861

Gemeenschapsonderdaan / E-document / verblijfsvergunning. Artikel 94 Vb is uitdrukkelijk als grondslag genomen voor de verlening van de vergunning. Dit sluit aan bij de ingangsdatum van de verleende vergunning, die is gelegen in april 1997. Ingevolge artikel 94 Vb werd de vreemdeling aan wie verblijfsrecht toekwam op grond van het EG-recht, in het bezit gesteld van een vtv. Met het vervallen van artikel 94 Vb en de wijziging van de artikelen 95 en 96 Vb werd niet meer gesproken van een vtv, maar werd de gemeenschapsonderdaan geacht van rechtswege te zijn toegelaten en werd als verklaring van het verblijfsrecht het in artikel 8a, tweede lid, Vb bedoelde bescheid, waaronder een E-document, aan de vreemdeling verstrekt. Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat eiser slechts in het bezit is gesteld van een declaratoir E-document. Aangenomen moet worden dat eiser in het bezit is gesteld van vtv met ingang van 4 april 1997, met een geldigheidsduur tot 21 maart 2002. Nu een vtv niet van rechtswege vervalt, maar voorwaarden voor intrekking gelden, en een dergelijk besluit tot intrekking nimmer is genomen, leidt dit tot het oordeel dat eiser tot 21 maart 2002 in het bezit is geweest van de verleende vtv. Verweerder heeft de ingediende aanvraag ten onrechte aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating. Nu voorts niet onaannemelijk is dat eiser daadwerkelijk een vergunning tot vestiging is verleend, heeft verweerder in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid alsmede met het beginsel van deugdelijke motivering door deze mogelijkheid niet nader te onderzoeken en bij de besluitvorming te betrekken. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen