Rb. 's-Gravenhage 8 april 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AP1289
Afghanistan / Khad/WAD / artikel 1F VSV / ambtsbericht. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn standpunt dat eiser persoonlijk betrokken is geweest bij misdrijven ex artikel 1F VSV primair baseert op het ambtsbericht van 29 februari 2000 inzake de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan en met name op de informatie in de paragrafen 2.4 en 2.7. Hierin is aangegeven dat alle (onder-)officieren van de KhAD en de WAD actief hebben deelgenomen aan mensenrechtenschendingen. De rechtbank heeft kennis genomen van de onderliggende stukken aangaande die paragrafen en heeft de inhoud ervan in haar beoordeling betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet van de juistheid van het ambtsbericht heeft kunnen uitgaan, omdat de informatie in de genoemde paragrafen niet door de onderliggende stukken wordt gedragen. De rechtbank oordeelt dat verweerder artikel 1F VSV heeft kunnen tegenwerpen, omdat aangenomen moet worden dat hij het plegen van mensenrechtenschendingen direct heeft gefaciliteerd. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen stellen dat eiser geen volledige openheid heeft willen geven over de exacte aard van zijn werkzaamheden. Voorts oordeelt de rechtbank dat verweerder heeft aangegeven dat eiser niet zal worden uitgezet, omdat eiser bij uitzetting naar Afghanistan een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. De rechtbank acht de afwijzing van de asielaanvraag, terwijl uitzetting in strijd is met artikel 3 EVRM, in strijd met artikel 3 EVRM juncto artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl