Rb. 's-Gravenhage 17 mei 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0453
Afghanistan / Hezb-i-Wahdat / artikel 1F VSV. Het standpunt van verweerder dat artikel 1F, aanhef en onder a en b, VSV op eiser van toepassing is kan de rechterlijke toets niet doorstaan. Het besluit is gebaseerd op het ambtsbericht van 23 juni 2000, waarin is vermeld dat in februari 1993 bij gevechten tussen Ittehad-i-Islami en Hezb-i-Wahdat zo’n zestig vrouwen in het Instituut van Sociale Wetenschappen te Kabul zouden zijn vastgehouden, verkracht en vermoord. Nu deze informatie enkel afkomstig is van niet nader gespecificeerde persberichten, is deze informatie onvoldoende geobjectiveerd, inzichtelijk en onpartijdig. Het had op de weg van verweerder gelegen om zich te vergewissen van de objectiviteit, inzichtelijkheid en onpartijdigheid van deze informatie. Voorts heeft verweerder in het besluit een onjuist feitelijk kader gebezigd. Het uitgangspunt dat eiser ten tijde van zijn werkzaamheden bij de Hezb-i-Wahdat beroepsmilitair was komt niet overeen met de door eiser afgelegde consistente verklaringen. De verwijzing naar een referentiebrief van de Hezb-i-Wahdat is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder zonder nadere motivering geen waarde heeft hoeven hechten eisers verklaringen. Nu niet in geschil is dat eiser enkel op de logistieke afdeling heeft gewerkt, kan het standpunt dat eiser verkrachtingen en moorden direct heeft gefaciliteerd niet in rechte standhouden. Tussen eisers werkzaamheden en de door de Hezb-i-Wahdat gepleegde mensenrechtenschendingen bestaat immers geen direct verband, zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat het nalaten van eiser te handelen een substantieel effect heeft gehad op het begaan van de mensenrechtenschendingen. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl