Rb. 's-Gravenhage 22 maart 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AO9965
Angola / artikel 1F VSV. De rechtbank stelt vast dat in hoofdstuk C1/5.13.3.3 Vc 2000 is bepaald dat de voor de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag beschreven ‘personal and knowing participation test’ in lijn is met de artikelen 25 en 27 tot en met 33 Statuut van Rome. Het beleid sluit derhalve aan bij artikel 31 Statuut van Rome over de toerekeningsvatbaarheid van een dader van de gepleegde misdrijven, ook al ontbreekt daaromtrent een expliciete nadere bepaling in de Vc 2000. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat vorengenoemd beleid kennelijk onredelijk is. Ervan uitgaande dat verweerder in zijn beleid aansluiting heeft gezocht bij artikel 31 Statuut van Rome, leidt dit nog niet tot de conclusie dat verweerder de toerekeningsvatbaarheid van eiser nader had dienen te (laten) onderzoeken. Eiser heeft gesteld ontoerekeningsvatbaar te zijn en op die grond gevrijwaard te zijn van de individuele verantwoordelijkheid voor zijn handelingen. Het is derhalve aan eiser aannemelijk te maken dat sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van eiser onvoldoende zijn voor de conclusie dat aannemelijk is dat eiser niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden wegens een geestesziekte of ontoerekeningsvatbaarheid. Van belang is daarbij dat eiser zich vrijwillig bij de UNITA heeft aangemeld. Tussen de dood van zijn ouders in juli 1997 en zijn daadwerkelijke deelname aan de militaire acties in september 1999 is geruime tijd gelegen. Ook overigens heeft eiser geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, op grond waarvan het op de weg van verweerder had gelegen een (nader) onderzoek in te stellen naar de geestelijke gezondheid van eiser. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl