Rb. 's-Gravenhage 8 maart 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6714

Intrekking verblijfsvergunning / ongewenstverklaring / instandlating rechtsgevolgen. Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van artikel 7:2 Awb. De status ex artikel 10, tweede lid, Vw 2000 van eiser dient van rechtswege te worden aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De verblijfsvergunning kan ingevolgen artikel 22 Vw 2000 worden ingetrokken. Gelet op de veroordeling van eiser tot negen jaar gevangenisstraf heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser de in artikel 3.86, tweede lid, Vb 2000 genoemde glijdende schaal heeft overschreden. Deze koppelt aan een verblijfsduur van tussen de vijf en zes jaren een strafmaat van 24 maanden, welke strafmaat ruimschoots is overschreden. Het antwoord op de vraag of het - Europeesrechtelijke - criterium van de actuele bedreiging voor de openbare orde op eiser van toepassing is, kan in het midden blijven. De zwaarte van de veroordelingen, het gegeven van recidive, gevoegd bij de omstandigheid dat ter zitting is gebleken dat eiser zeer recent wederom in aanraking is gekomen met Justitie en gedetineerd is geraakt, laat er geen twijfel over bestaan dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Verweerders aanvullende stellingname in deze kan dan ook worden gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat artikel 8 EVRM verweerder niet verplicht tot het achterwege laten van de ongewenstverklaring. Gelet op de ernst van de strafbare feiten en de actualiteit van de bedreiging van de openbare orde, mag verweerder de belangen van de Nederlandse samenleving stellen boven die van eiser en zijn gezin, uitmondend in een ongewenstverklaring van eiser. Eiser stelt dat hij door de ACVZ gehoord had moeten worden. Eiser heeft echter niet aangegeven waarop de ACVZ zich zou dienen te richten, anders dan op een beantwoording van de vraag of de actualiteit van de bedreiging van de openbare orde dient te worden beoordeeld, alsmede hoe die beoordeling zou dienen te verlopen. In casu bestaat geen grond tot terugverwijzing naar verweerder in verband met het alsnog inschakelen van de ACVZ. De rechtsgevolgen worden op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb instandgelaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen