Rb. 's-Gravenhage 16 maart 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6264

Amv / zesmaandentermijn / openbare orde. Eiser is een verblijfsvergunning amv geweigerd vanwege een contra-indicatie. Niet in geschil is dat het amv-beleid zoals dit gold voor 4 januari 2001 op de aanvraag van eiser van toepassing blijft. Er is niet binnen zes maanden op de aanvraag van eiser beslist, hetgeen in strijd is met TBV 1996/1. Volgens dit TBV had verweerder een verblijfsvergunning moeten verlenen, omdat zes maanden na de aanvraag nog niet vaststond dat er adequate opvang was voor eiser. Voor weigering op de grond van de openbare orde bestond nog geen aanleiding, omdat eiser het strafbare feit nog niet had gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gegeven de uitdrukkelijke tekst van TBV 1996/1 op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan het niet volgen van deze passage in het beleid door verweerder geen enkel gevolg hoeft te worden verbonden, nu eiser, indien verweerder dit beleid wel had gevolgd, een vergunning had verkregen, waarvan de verlenging ook niet had kunnen worden geweigerd op grond van het door hem vervolgens gepleegde strafbare feit. Artikel 3.77 Vb 2000 vormt daarbij geen beletsel, nu uit dit artikel geen verplichting volgt om een aanvraag af te wijzen als is voldaan aan de daarin opgenomen voorwaarden. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen