Rb. 's-Gravenhage 15 december 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AO8675
Ongewenstverklaring / toetsingskader. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser ongewenst kan worden verklaard en geconcludeerd dat eiser derhalve niet in aanmerking komt voor rechtmatig verblijf. Deze manier van toetsen door verweerder verschilt van de eerdere besluiten in de aanvraagprocedure van eiser. Verweerder is in zoverre gebonden aan het toetsingskader dat zij zelf heeft vastgesteld en door de rechtbank op 28 november 2002 is gevolgd, dat in het nieuwe besluit op het bezwaar niet een geheel ander toetsingskader kan worden gehanteerd, waarbij artikel 3.20 Vb 2000 in het geheel buiten beschouwing wordt gelaten. Voorts zou de uitzonderingsbepaling van artikel 3.20 Vb 200 zonder betekenis zijn, indien dit artikel niet van toepassing zou zijn op het beleid ter uitvoering van artikel 67 Vw 2000. Derhalve ligt de vraag voor of eiser met inachtneming van artikel 3.20 Vb 2000 een verblijfsvergunning kan worden onthouden. Het door verweerder op dit punt ingenomen standpunt dat eiser twee strafbare feiten heeft begaan en dus bij herhaling is veroordeeld in de zin van artikel 3.20, tweede lid, aanhef en onder c, Vb 2000 wordt niet gevolgd. Verweerder heeft het onderbouwd met de stelling dat het een vaste gedragslijn is dat er niet noodzakelijkerwijs sprake hoeft te zijn van veroordelingen op verschillende momenten. Nog afgezien van het feit dat deze gedragslijn niet is neergelegd in voor eiser kenbaar beleid, vormt deze motivering onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de term ‘bij herhaling’ niet ziet op de omstandigheid dat eiser op verschillende tijdstippen wordt veroordeeld, maar op de onzekere omstandigheid hoe een enkel (strafbaar) feit strafrechtelijk gekwalificeerd wordt. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl