Rb. 's-Gravenhage 25 augustus 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1339

Wav / tewerkstellingsvergunning. De rechtbank is van oordeel dat de brief van verweerder niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. De brief houdt een feitelijke mededeling in, die geen zelfstandig en als definitief bedoeld rechtsoordeel impliceert over de toepasselijkheid van de Wav dan wel van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, Wav. Die mededeling brengt niet enig rechtsgevolg te weeg. Indien tussen verweerder en de werkgever verschil van mening bestaat over de vraag of voor de uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van zijn werknemers tewerkstellingsvergunningen (twv’s) zijn vereist dan wel of er prioriteitgenietend op de arbeidsmarkt beschikbaar aanbod aanwezig, is het indienen van een aanvraag de aangewezen weg voor de werkgever om daar uitsluitsel over te verkrijgen. Op dit uitgangspunt kan slechts in zeer bijzondere gevallen een uitzondering worden gemaakt, maar daarvan is geen sprake. De mededeling in de brief dat verweerder niet bevoegd is de gevraagde verklaring af te geven dat de werkgever hangende de behandeling van zijn klaagschrift bij de Europese Commissie dient te worden behandeld als ware hij niet vergunningplichtig dan wel als ware hij in het bezit van de gevraagde twv’s, brengt geen rechtsgevolg te weeg. In de Wav is niet voorzien in enige beslissingsbevoegdheid van verweerder op dit punt. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen