Rb. 's-Gravenhage 15 juli 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0545
Driejarenbeleid / overgangsrecht. De rechtbank stelt vast dat de termijn voor het bepalen van relevant tijdsverloop is aangevangen op 23 maart 1999, de datum waarop de aanvraag is ingediend. De driejarentermijn is volgelopen op 23 maart 2002, derhalve ná de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001. De Vw 2000 heeft onmiddellijke werking. De rechtbank dient te toetsen aan hoofdstuk B1/2.2.11 Vc 2000. De rechtbank vindt hiervoor steun in de REK-uitspraak AWB 98/1090 van 18 juni 1998. In hoofdstuk B1/2.2.11 Vc 2000 is bepaald dat in een reguliere procedure het driejarenbeleid wordt uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden. Ingeval de procedure drie jaar heeft geduurd wordt voorbij gegaan aan twee gronden waarop een aanvraag afgewezen zou kunnen worden, te weten het middelenvereiste en het mvv-vereiste. De overige afwijzingsgronden van artikel 16 Vw 2000 blijven van toepassing, waaronder de onder g genoemde voorwaarde dat voldaan moet zijn aan de beperking, verband houdende met het verblijfsdoel. Verweerders standpunt waar het gaat om het driejarenbeleid indien de vreemdeling verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard beoogt, betekent impliciet dat in een dergelijk geval de vreemdeling nimmer in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning wegens drie jaar relevant tijdsverloop hoewel hiervan sprake is. De rechtbank verwijst naar de uitspraak AWB 01/53788 van 11 juli 2002 en maakt de daarin gestelde overwegingen tot de hare. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl