Rb. 's-Gravenhage 29 september 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AN9728
Geloofwaardigheid asielrelaas / toetsing. De rechtbank stelt vast dat verweerder het relaas van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. Het oordeel van verweerder dat het relaas ongeloofwaardig is, laat geen ruimte voor het tegenwerpen van het gestelde onder c van artikel 31, tweede lid, Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en f, Vw 2000 niet gelijktijdig en naast elkaar worden tegengeworpen. De ene omstandigheid strekt, uitgaande van het relaas, tot een afwijzing van de aanvraag wegens niet tijdig melden, terwijl de andere omstandigheid, het niet hebben van documenten, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het relaas. Het is niet aan de rechtbank te kiezen tussen het toepassen van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000 dan wel het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000. De rechtbank zou dan immers een eigen oordeel geven over de feiten. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is en een draagkrachtige motivering ontbeert. De rechtbank is voorts van oordeel dat het in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan een feitelijke en een juridische kant heeft. Voorzover het de feitelijke kant betreft, valt het onder het geloofwaardigheidsoordeel, hetgeen is besproken. Voorzover het de juridische kant betreft, valt het onder het zwaarwegendheidsoordeel. Dit onderdeel wordt door de rechtbank vol getoetst. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl