Rb. 's-Gravenhage 26 juni 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AM3256
Sudan / geloofwaardigheid asielrelaas. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte het argument in de zienswijze gepasseerd dat eiser tijdens het eerste gehoor niet alles heeft kunnen vertellen over zijn arrestaties en detenties. Gezien de zienswijze is het onjuist dat verweerder in de bestreden beschikking stelt dat sprake is van wisselende en tegenstrijdige verklaringen. Verweerder heeft eiser in het nader gehoor niet geconfronteerd met de tegenstrijdige en wisselende verklaringen. Voorts overweegt de rechtbank dat een vreemdeling er blijkens hoofdstuk C3/12.6 Vc 2000 op wordt gewezen dat zijn asielmotieven eerst in het nader gehoor aan de orde komen. Verweerder heeft geconcludeerd tot tegendtrijdige verklaringen door de onvolledige verklaringen van eiser uit het eerste gehoor te vergelijken met de verklaringen in het nader gehoor. Aan eventuele verschillen tussen de in het eerste gehoor en in het nader gehoor afgelegde verklaringen mag voor wat betreft het oordeel over de geloofwaardigheid van het door eiser gedane asielrelaas echter niet zonder meer doorslaggevende betekenis worden toegekend. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl