Rb. 's-Gravenhage 29 april 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AL7501
Somalië / minderheden / verblijfsalternatief. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de brief van het Ministry of Resettlement, Rehabilitation and Reconstruction van 14 december 2002 en het rapport van het Britse Immigration and Nationality Directorate van 29 oktober 2002 geen concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de actualiteit op hoofdlijnen van de in de ambtsberichten neergelegde informatie over de algehele situatie in het noorden van Somalië en het in dat verlengde liggende standpunt dat voor eiser een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië aanwezig is. Nu verweerders beleid in belangrijke mate wordt gedragen door de bestuurlijke structuren in de provincies Puntland en Somaliland terwijl uit het ambtsbericht van 4 juli 2002 kan worden afgeleid dat dergelijke structuren ontbreken in Hiiraan, Galgaduud en Zuid-Mudug, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet zonder nadere motivering kan stellen dat Hiiraan, Galgaduud en (Zuid-)Mudug als verblijfsalternatief voor minderheden kunnen gelden.
De uitspraak op rechtspraak.nl