Rb. 's-Gravenhage 28 januari 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AL3261
Inzake het toepasselijke materiële recht wordt in de MvT bij artikel 118 van de Vw 2000 opgemerkt dat op het bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van de nieuwe wet, maar dat zulks niet bepaald is "omdat het reeds volgt uit de hoofdregel van het algemene bestuursrecht dat in bezwaar ex-nunc wordt beslist". De Vw 2000 kent ten aanzien van de buiten behandelingstelling van een aanvraag niet een overgangsrechtelijke bepaling met een andere strekking, in aanmerking genomen dat een dergelijke buitenbehandelingstelling bezwaarlijk kan worden geduid als betrekkelijk tot de behandeling van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 118, tweede lid van de Vw 2000. Gelet hierop had verweerder het bij en krachtens de Vw 2000 vigerende recht dienen toe te passen. Het specifieke karakter van een besluit tot buiten behandelingstelling waaraan (mede) artikel 4:5 van de Awb ten grondslag ligt, doet hier niet aan af. Verweerder heeft ten onrechte aan het bestreden besluit artikel 16a, eerste en vierde lid van de Vw ten grondslag gelegd in plaats van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.71, eerste lid en vierde lid, van het Vb 2000. Het toepasselijke artikel 16, eerste lid onder a en tweede lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van de Vb 2000 bevat niet een ander beoordelingskader en kan niet tot een andere uitkomst kan leiden, hetgeen ook geldt ten aanzien van artikel 3.71, vierde lid van de Vb 2000. Het besluit wordt vernietigd metmet instandlating van de rechtsgevolgen.
De uitspraak op rechtspraak.nl