Rb. 's-Gravenhage 7 juli 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AJ9971

Procesbelang / vvtv / doorprocederen. Verweerder heeft het bezwaar tegen de intrekking van de eerder aan eiser verleende vvtv ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vvtv in te trekken en verwijst daartoe naar de Afdelingsuitspraak 200104464/1 van 8 november 2001. Het is de rechtbank niet gebleken dat ten aanzien van de humanitaire situatie in Noord-Irak na de beleidswijziging van 20 november 1998 een rechtens relevante wijziging heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan Iraakse asielzoekers niet langer in aanmerking komen voor een vvtv. Uit de na het bestreden besluit opgekomen feiten en omstandigheden, te weten de opstelling van de Koerdische autoriteiten in Noord-Irak ten aanzien van teruggekeerde asielzoekers uit Centraal-Irak, kan niet worden afgeleid dat verweerder op of onmiddellijk na 3 maart 2000 in redelijkheid eiser een verblijfsvergunning niet kon onthouden. Eiser is met ingang van 25 november 2002 een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 verleend. Voorzover het beroep is gericht tegen de weigering hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, Vw 2000 te verlenen, oordeelt de rechtbank dat eiser geen procesbelang heeft en verwijst daarbij naar de Afdelingsuitspraak 200105914/1 van 28 maart 2002. Eiser heeft wel procesbelang bij het beroep, voorzover dit is gericht tegen de ingangsdatum van de vergunning. Het beroep faalt evenwel, omdat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet heeft hoeven besluiten reeds vóór 25 november 2002 een categoriaal beschermingsbeleid te voeren met betrekking tot asielzoekers uit Centraal-Irak. Blijkens de ambtsberichten van april, oktober en november 2002 is in april 2002 gebleken dat de KDP asielzoekers uit Centraal-Irak geen toegang verleent tot haar grondgebied en kort voor 25 november 2002 is gebleken dat ook de PUK dit doet. Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt onvoldoende dat de PUK al vóór 25 november 2002 de Centraal-Irakezen niet zou toelaten. Gelet op de ambtsberichten van april en november 2002 is evenmin aannemelijk geworden dat de KDP al vóór november 2002 Centraal-Irakezen geen toestemming verleende om over haar grondgebied naar het grondgebied van de PUK te reizen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen