Rb. 's-Gravenhage 22 april 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1516
Ouderenbeleid / verruimde gezinshereniging / humanitaire redenen / driejarenbeleid. De rechtbank overweegt dat nu eiseres nog geen 65 jaar is en artikel 3.25 Vb 2000 niet voorziet in de mogelijkheid af te wijken van het 65-jaarvereiste, verlening van een vergunning aan eiseres onder deze beperking niet mogelijk is, ongeacht haar persoonlijke omstandigheden. Nu verblijf onder deze beperking aldus niet aan de orde kan zijn, bestond – te meer nu sprake is van een overgangsrechtelijke situatie waarin de aanvraag onder oud recht is gedaan en als verblijfsdoel tevens humanitaire redenen noemde – aanleiding de aanvraag zodanig te duiden dat recht werd gedaan aan het beoogde verblijfsdoel. Toetsing aan het in artikel 3.25 Vb 2000 neergelegde ouderenbeleid doet daaraan geen recht. Dat de gemachtigde van eiseres in zijn reactie van 16 mei 2002 akkoord ging met toetsing aan dit beleid had verweerder in dit geval niet doorslaggevend mogen achten, nu uit de gronden van bezwaar duidelijk bleek dat in feite werd verzocht om aan het 65-jaarvereiste voorbij te gaan. De rechtbank ziet in het vorenstaande echter geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Geen van de andere in artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000, genoemde beperkingen doet recht aan de aanvraag. De in artikel 3.24 Vb 2000 geregelde verruimde gezinshereniging kan in dit geval niet als een reëel verblijfsdoel worden aangemerkt. Immers, nu ten tijde van de aanvraag de gezinsband tussen eiseres en referente reeds circa tien jaar verbroken was doordat referente zelfstandig in Nederland was gaan wonen, stond bij voorbaat vast dat niet werd voldaan aan de eis dat zij feitelijk behoorden tot hetzelfde gezin. Voorts biedt artikel 3.24 Vb 2000 geen ruimte om van deze eis af te wijken. Gelet hierop biedt naar het oordeel van de rechtbank alleen artikel 3.4, derde lid, Vb 2000 ruimte om aan eiseres een verblijfsvergunning te verlenen. Dat deze bevoegdheid niet is bedoeld voor gevallen waarin niet wordt voldaan aan de voorwaarden, behorend bij een van de in artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000 genoemde beperkingen, doet hieraan in dit geval niet af. De in artikel 3.24 Vb 2000 opgenomen voorwaarde dat de vreemdeling feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie deze vreemdeling wil verblijven, staat dermate ver af van de situatie van eiseres en referente dat de beperking (verruimde) gezinshereniging daarop niet meer van toepassing kan worden geacht. Gelet hierop diende verweerder te bezien of de door eiseres aangevoerde omstandigheden aanleiding gaven tot het verstrekken van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb 2000. Uit het bestreden besluit, waarin tevens is verwezen naar het primaire besluit van 12 april 2000, blijkt dat verweerder is ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eiseres, zoals naar voren gebracht bij de aanvraag en in het bezwaarschrift. Verweerder heeft in dit verband onder meer overwogen dat in Indonesië nog vier andere kinderen van eiseres wonen die haar kunnen ondersteunen en dat eventueel door referente vanuit Nederland financiële steun kan worden geboden. Achterlating van eiseres levert daarom geen onevenredige hardheid op, aldus verweerder. Deze argumenten kunnen naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs worden aangemerkt als argumenten in het kader van de toetsing van de aanvraag aan de 'onbenoemde' beperking van artikel 3.4, derde lid, Vb 2000. Eiseres is hierdoor niet in haar belangen geschaad. De vraag van eiseres in beroep of in het onderhavige geval sprake is van een beschikking in primo op het verzoek om een vergunning op grond van het driejarenbeleid, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Ingevolge het driejarenbeleid in reguliere zaken wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking waarop de aanvraag was gericht. Er is geen sprake van een aparte procedure. De reactie in het bestreden besluit op het verzoek van de gemachtigde van eiseres om toepassing van het driejarenbeleid kan daarom niet als een beschikking in primo worden aangemerkt. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiseres niet aan de voorwaarden van het driejarenbeleid voldoet, nu – zoals hiervoor is overwogen – haar persoonlijke omstandigheden geen aanleiding vormen een verblijfsvergunning te verlenen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl