Rb. 's-Gravenhage 5 augustus 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0851

Motie Van Vroonhoven-Kok / inherente afwijkingsbevoegdheid. Verzoeker heeft op 22 juni 2003 een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor een beoordeling op grond van de toezeggingen die op 14 januari 2003 door de heer Nawijn, voormalig minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, inzake gebruikmaking van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid (alsmede de motie Van Vroonhoven-Kok) gedaan zijn. Daartoe heeft verzoeker aangevoerd dat in zijn geval sprake is van schrijnende omstandigheden. De rechtbank volgt verweerder niet in diens betoog dat de brief van 18 juli 2003 slechts informatief van aard is en overweegt dat de brief aan te merken is als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Gelet op het ontbreken van inhoudelijke criteria voor de afdoening van dit soort verzoeken, die volgens verweerder in het najaar vastgesteld zullen worden, is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd is. In het besluit is niet opgenomen waarom verweerder van mening is dat in het onderhavige geval geen sprake is van schrijnende omstandigheden. De rechtbank acht in het kader van de gevraagde voorziening tevens van belang hetgeen verweerder in zijn brieven van 18 april en 14 mei 2003 aan Vluchtelingwerk Nederland heeft toegezegd, te weten dat, indien een brief waarin een beroep is gedaan op de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder, naar hem is toegestuurd, geen uitzetting zal plaatsvinden totdat inhoudelijk op deze brief zal zijn beslist. Toewijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen