Rb. 's-Gravenhage 23 juli 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0791

Motie Van Vroonhoven-Kok / inherente afwijkingsbevoegdheid. Verzoekster heeft middels een zogenaamde ‘14-1-brief’ de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verzocht om op grond van schrijnende omstandigheden gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Verweerder heeft daarop afwijzend gereageerd. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tevens een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening. Met verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beschikking onvoldoende is gemotiveerd, nu uit de beschikking immers niet blijkt waarom verweerder van mening is dat in het geval van verzoekster geen sprake is van schrijnende omstandigheden. Uit de brief van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Vereniging VluchtelingenWerk Nederland van 18 april 2003 blijkt dat beëindiging van de opvangvoorzieningen, dan wel verwijdering uit Nederland, niet kan plaatsvinden alvorens er een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden van de zogenaamde '14-1-brief'. Met verzoekster is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat in het onderhavige geval niet is gebleken dat de door verzoekster aangevoerde schrijnende omstandigheden inhoudelijk zijn getoetst. Toewijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen