Rb. 's-Gravenhage 13 juni 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0387
Opvang / herhaalde aanvraag / besluitbegrip. In hoofdstuk C5/20.4.4 Vc 2000 is neergelegd dat een vreemdeling die na afwijzing van de asielaanvraag aantoonbaar is teruggekeerd naar het land van herkomst, recht heeft op opvang indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een nieuw asielrelaas. Op grond van hoofdstuk C5/20.4.4 Vc 2000 informeert de IND het COA en adviseert om opvang te bieden indien de vreemdeling heeft kunnen aantonen te zijn teruggekeerd naar het land van herkomst, waar zich nieuwe asielgerelateerde feiten hebben voorgedaan en waarvan de aanvraag niet binnen de AC-procedure is afgedaan. Het advies dan wel het uitblijven van advies van de zijde van verweerder aan het COA inzake de opvang van verzoeker ontbeert naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtsgevolg. Dit betekent dat het uitblijven van het advies niet aan te merken is als een besluit. De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van verzoeker dat het niet geven van advies in meergenoemde zin is aan te merken als een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw 2000. Redengevend hiervoor is dat de beslissingsbevoegdheid bij het COA ligt en het verlangde advies ook aan het COA moet worden gericht, zodat geen sprake is van een voldoende op zichzelf staande handeling ten aanzien van de vreemdeling als zodanig. Voorts is gesteld noch gebleken dat in dit geval het COA verzoeker feitelijk toegang tot opvang heeft geweigerd. Afwijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl