Rb. 's-Gravenhage 4 juli 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0085
Driejarenbeleid. De overwegingen in het bestreden besluit die zien op het driejarenbeleid dienen te worden aangemerkt als een besluit op bezwaar, zodat het beroep ontvankelijk is. De driejarentermijn is volgelopen vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000. De bob is genomen na de inwerkingtreding van de Vw 2000. Bij de invoering van de Vw 2000 is ten aanzien van het driejarenbeleid niet voorzien in overgangsrecht. Gegeven het gewijzigde wettelijke kader stond het verweerder niet vrij om met voorbijgaan aan de nieuwe wet de beslissing te baseren op de inmiddels ingetrokken wettelijke regeling en het onder die regeling gevoerde beleid. Verweerders stelling dat het driejarenbeleid materieel door de invoering van de Vw 2000 niet is gewijzigd wordt door de rechtbank niet gevolgd. Vastgesteld moet worden dat het driejarenbeleid zoals dat gold voor 1 april 2001 voor eiser gunstiger was. Er is in casu geen sprake geweest van een dusdanig opgewekt vertrouwen dat verweerder het nieuwe beleid buiten toepassing had moeten laten. Voor zover eiser van oordeel is dat de huidige regelgeving op zichzelf als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd, en hij aldus schade heeft geleden, kan hij zich tot de civiele rechter wenden. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat het thans gevoerde beleid onredelijk is, kan hij daarin evenmin worden gevolgd. Anderzijds kan aan het moment van vollopen van de driejarentermijn en aan de toezegging van de staatssecretaris en het daarmee gewekte vertrouwen dat er geen wijziging van het driejarenbeleid is beoogd niet elke betekenis worden ontzegd. Uitgaande van de omstandigheid dat in een individueel geval sprake kan zijn van een verslechtering van de rechtspositie na het vollopen van de driejarentermijn, zou dat voor verweerder aanleiding kunnen vormen om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Op dit punt ontbeert het besluit een draagkrachtige motivering. In het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk A4/6.22.3 Vc 1994 is niet aangegeven welke voorwaarde per beleidsonderdeel als belangrijkste voorwaarde moet worden gezien. Verweerder komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de vraag welke voorwaarde als belangrijkste voorwaarde moet worden aangemerkt. Indien verweerder er echter bij het beschrijven van het beleid voor kiest om niet op elk beleidsterrein uitdrukkelijk aan te geven welke voorwaarde het belangrijkst is, mag worden verwacht dat hij per beleidsterrein de keuze voor de belangrijkste voorwaarde in de daarover genomen besluiten kan motiveren. Verweerder is daar in de onderhavige zaak niet in geslaagd.
De uitspraak op rechtspraak.nl