Rb. 's-Gravenhage 5 maart 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8321

Ongewenstverklaring / strafrechtelijke veroordeling / artikel 8 EVRM. De toelating als vluchteling is ingetrokken en eiser is ongewenst verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van zijn wettelijke bevoegdheid om de aan eiser verleende toelating als vluchteling in te trekken. Volgens vaste jurisprudentie kan aan het Vluchtelingenverdrag op zichzelf, mogelijke schending van artikel 3 EVRM geen aanspraak op toelating als vluchteling worden ontleend. De intrekking van de toelating als vluchteling levert op zichzelf geen strijd op met deze verdragen. Slechts de uitzetting naar een land waar gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag bestaat dan wel een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM levert schending van deze verdragen op. Vanwege mogelijke schending van artikel 3 EVRM wordt eiser niet bedreigd met uitzetting naar Iran, zodat van verdragsschending geen sprake is. Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens zes strafbare feiten, waaronder vier opzettelijk begane misdrijven waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer was bedreigd. Gelet op de lange duur van de gevangenisstraf en het ernstige karakter van de feiten heeft verweerder op goede gronden kunnen oordelen dat sprake was van gewichtige redenen ontleend aan het algemeen belang (openbare orde) op grond waarvan de toelating als vluchteling kon worden ingetrokken. Er is geen sprake van schending van artikel 8 EVRM. Aangenomen dat sprake is van inmenging in het recht op respect voor family life, is de inmenging gerechtvaardigd door het belang dat wordt gediend met het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM. Relevant is dat de aanleiding voor de ongewenstverklaring onder meer is gelegen in de veroordeling wegens mishandeling van zijn (ex)-echtgenote en bedreigingen tegen zijn (ex)-echtgenote en zijn oudste dochter. Eiser woonde niet met zijn jongste dochter samen, heeft niet gesteld dat hij intensief contact met haar onderhield en een zinvolle bijdrage leverde aan haar opvoeding en verzorging en heeft niet onderbouwd dat zijn dochter zijn aanwezigheid op prijs stelde. De stelling dat ongewenstverklaring achterwege had moeten blijven omdat eiser niet uitzetbaar is naar Iran, noch naar enig ander land wordt niet gevolgd. De ACV heeft geadviseerd de ongewenstverklaring niet achterwege te laten en heeft overwogen dat eventueel kan worden nagegaan of enig ander land dan Iran zich bereid toont eiser als vluchteling toe te laten. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat er een verplichting op verweerder rust om inspanningen te verrichten om eiser uit Nederland te verwijderen alvorens tot (handhaving in bezwaar van de) ongewenstverklaring over te gaan. Het ligt primair op de weg van eiser om Nederland te verlaten. Dit geldt ook in een situatie waarbij een gedwongen uitzetting naar het land van herkomst mogelijk in strijd is met artikel 3 EVRM. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen